CD&V

Subscribe by RSS

 

Er is (bijna) voldoende kinderopvang in Vlaanderen

January 4 2010, 3:36am

Er is de voorbije jaren veel veranderd in het kinderopvanglandschap. De focus lag op uitbreiding, dewelke zeker nodig was. Daardoor riskeren we echter de kwaliteit en de betaalbaarheid van de opvang en de ouder-kind-relatie uit het oog te verliezen.

In september 2009 werden er 80.497 kindjes opgevangen in door de Vlaamse overheid erkende kinderopvanginitiatieven. De opvang is momenteel als volgt verdeeld: 31.258 plaatsen bij 7.249 onthaalouders die aangesloten zijn bij een dienst voor onthaalouders, 16.085 gesubsidieerde kinderdagverblijven, 25.878 plaatsen in zelfstandige kinderdagverblijven en 7.276 plaatsen bij zelfstandige onthaalouders met een attest van toezicht.

Met deze gekende initiatieven haalt Vlaanderen vlot de Barcelona-norm (33 plaatsen per 100 kinderen onder de 2,5 jaar). Daarmee doen we beter dan zeer veel Europese landen. Er zijn echter nog plaatsen in Vlaanderen waar we de norm niet halen. Als we deze in alle regio’s willen halen, dan is de huidige raming dat er deze legislatuur nog eens 11.000 plaatsen moeten bijkomen (vooral in de steden). Ook na 2014 moeten we ervoor zorgen dat we de norm behouden. Dit kan door het invoeren van een nataliteitbonus zoals die ook bestaat in het onderwijs: een koppeling van het aanbod kinderopvang aan de schommelingen van de nataliteit.

Naast de formele opvang worden nog zeer veel kindjes opgevangen door de ouders zelf of door de grootouders of door familieleden en vrienden. We stellen reeds jaren vast dat dit aandeel jaarlijks daalt. Er is nog een kleine rest van enkel gemelde opvang. Bij het nieuwe decreet zal deze sowieso niet meer bestaan.

Dat er een nieuw decretaal kader moet komen voor de kinderopvang weet iedereen die de sector volgt. Zo’n decreet is noodzakelijk om maatschappelijke en juridische redenen, maar ook om organisatorische en budgettaire redenen. De enorme verschillen tussen wat Vlaanderen bijdraagt aan een erkende/gesubsidieerde plaats (ongeveer 10.000 per jaar), de inkomensgebonden plaatsen in zelfstandige initiatieven (ongeveer 3400euro per jaar) en een niet-inkomensgebonden plaats in een mini-crêche (ongeveer 640 euro per jaar) is niet te verantwoorden. Ook de verschillen in regelgeving zijn niet logisch. Het nieuwe decreet moet een duidelijk kader creëren dat dezelfde kwaliteitseisen oplegt aan alle initiatieven. Het decreet moet bovendien een vertaling zijn van onze toekomstvisie op kinderopvang.

Nu we voor Vlaanderen de Barcelona-norm hebben behaald, is het tijd voor een reflectie en een aangepaste regelgeving.

Ik ben er alvast van overtuigd dat Vlaanderen de volgende jaren meer moet inzetten op professionalisering van de opvanginitiatieven, een duidelijk vergunningensysteem, dat we ouders nog meer moeten aanmoedigen om ook zelf een deel van de opvang van kinderen onder de 2,5 jaar op te nemen en dat we de Vlaamse bijdrage voor kinderopvang zullen moeten herbekijken.

  1. Competentieversterking van de opvanginitiatieven

Kinderopvang van goede kwaliteit bevordert de ontwikkeling van kinderen. De competenties van de kinderbegeleiders en hun pedagogische omkadering is één van de belangrijkste factoren voor kwaliteit van de opvang. Hier moeten we meer aandacht voor hebben. Immers, we stellen vast dat in tegenstelling tot het onderwijs in het grootste deel (80%) van de kinderopvang geen diplomavereisten gevraagd worden. Dit betekent echter niet dat er maar in 20% van de kinderopvang deskundigheid is. Een belangrijke troef van de Vlaamse kinderopvang is onze sterk in buurten geïntegreerde gezinsopvang via de diensten voor onthaalouders. Wanneer we een beleid voeren dat aandacht heeft voor competenties dan komt het er in de eerste plaats op aan om de reeds aanwezige competenties zichtbaar te maken. Op deze manier kunnen we ze ook gaan ondersteunen, gaan versterken. Het uitbouwen van kwalitatieve ondersteuningstrajecten voor onthaalouders en kindbegeleiders op de werkvloer, installeren van inter- en supervisiemogelijkheden, faciliteren van vormingsmogelijkheden (op maat) moet een peiler worden van het toekomstige beleid. Het EVC-beleid kan zeker binnen de kinderopvang veel sterker uitgewerkt worden.

In een proces van schaalvergroting en kwalitatieve ontwikkeling van de kinderopvang is er zeker nood aan een bacheloropleiding kinderopvang. Daarnaast is er nood aan een beleid dat zorgt voor een gedifferentieerd aanbod van opleidingen voor ieder die in de kinderopvang werkt.

Een investering in competentieversterking is nodig, ook om ervoor te zorgen dat we voor het ruime aanbod aan kinderopvang het nodige personeel blijven vinden. Idealiter zou er met verschillende niveaus moeten gewerkt worden zodat er een kinderopvang gecreëerd wordt die een economische, sociale en pedagogische functie opneemt.

Als we op basis van de ervaringen van de CKO-projecten kunnen evolueren naar samenwerkingsverbanden en schaalvergroting dan zijn volgende functies mogelijk en budgettair haalbaar: Een kindbegeleider, een verzamelnaam en bijhorend statuut voor onthaalouder, begeleider kinderopvang, begeleider buitenschoolse kinderopvang en begeleider aan huis. Hij/zij zorgt voor de dagelijkse taken in de opvang van de kinderen en het creëren van een goede pedagogische omgeving, het overleg met ouders, enzovoort. Een opvoeder werkt samen met de kinderen en samen met de kinderbegeleiders en heeft bijkomende vaardigheden. De opvoeder zorgt voor de implementatie van het pedagogische beleid in de concrete werking door het samenwerken met en door model te zijn voor de begeleiders. De opvoeder is een coach van de begeleiders in opleiding. Een leidinggevende in kinderopvang combineert pedagogisch en administratief management. Een coördinator kinderopvang gaat in op nieuwe uitdagingen zoals flexibiliteit, toegankelijkheid, diversiteit en inclusie. Een coördinator bouwt brede netwerken uit.

Daar slechts een kleine minderheid van de onthaalouders een vooropleiding genoot die affiniteit heeft met kinderopvang, is het van cruciaal belang dat een gerichte opleiding combineerbaar is met hun werk en dat we rekening houden met hun ‘(elders) verworven competenties’.

  1. Kwalitatieve kinderopvang voor elk kind

We moeten evolueren naar een systeem waarbij we garanderen dat de kinderopvang voor elk kind kwaliteitsvol is. Een eerste stap hierbij is het uitwerken van gelijke vergunningsvoorwaarden voor gelijkaardige opvanginitiatieven. In de praktijk betekent dit dat er eigen voorwaarden komen voor de gezinsopvang en eigen voorwaarden voor de groepsopvang.

Dit betekent dat er in Vlaanderen alleen nog kinderopvang kan zijn die vergund is. De vandaag enkel gemelde opvang kan dus niet meer bestaan. Het betekent ook dat wie zijn vergunning verliest, niet meer aan kinderopvang mag doen. We moeten dus af van het ‘attest van toezicht’. Het is immers niet logisch dat wanneer K&G oordeelt dat een onthaalmoeder niet voldoet aan de voorwaarden, men toch verder kindjes opvangt met een dergelijk attest.

Specifiek voor de gezinsopvang moeten we naar één norm gaan die bepaald hoeveel kinderen een onthaalmoeder mag opvangen. Het huidige verschillend aantal kindjes dat mag opgevangen worden door een zelfstandige onthaalmoeder (max 7) of één die is aangesloten bij een erkende dienst (max 8) is niet logisch.

Via het kaderdecreet moeten we duidelijkheid creëren voor alle initiatiefnemers en ouders.

De garantie op een kwalitatieve professionele opvang mag niet tot gevolg hebben dat ouders en grootouders zouden twijfelen om zelf instaan voor de opvang.

  1. Ouders moeten de kans krijgen om ook zelf te zorgen voor hun jonge kind.

Hoe goed de kinderopvang ook geregeld en georganiseerd is, we mogen ook de nest warmte van het gezin niet uit het oog verliezen. Ook voor de verdere relatie tussen ouders en kinderen zijn de eerste levensjaren van een kind belangrijk. Bovendien geven ouders aan dat ze, zeker gedurende de eerste maanden, graag zelf voor de kinderen willen zorgen.

Daarom is het belangrijk dat we ouders (moeders EN vaders) de kans geven om gedurende een aantal maanden te zorgen voor hun kindje. Dat kan vandaag al via het ouderschapsverlof, maar dit wordt door veel te weinig ouders opgenomen. Vaak is dit omdat het budgettair niet haalbaar is voor het gezin of omdat de werkgever er niet achter staat. Dat laatste is bijvoorbeeld in Denemarken al lang niet meer het geval, daar is het vaak de werkgever die als eerste vraagt wanneer de vader zijn ouderschapsverlof gaat opnemen.

In het belang van het kind, en dus in het belang van de maatschappij, moeten we zoeken naar manieren om meer ouders aan te moedigen om hun ouderschapsverlof op te nemen. Dat kan door er een correcte vergoeding tegenover te zetten (bijvoorbeeld door de Vlaamse aanmoedigingspremie te verhogen), door de periode lang genoeg te maken (drie maanden is te kort), door het zwangerschapsverlof te verlengen (in Belgie is dit zowat het kortste van heel Europa), en door het maatschappelijk draagvlak te verhogen.

Vlaanderen heeft vandaag niet alle instrumenten in handen om een dergelijk beleid te voeren. De instrumenten die ze wel heeft, moet ze maximaal gebruiken om deze doelstelling te bereiken. Bijvoorbeeld kan Vlaanderen ouders die beiden een deel van hun ouderschapsverlof opnemen om te zorgen voor hun jonge kinderen, voorrang geven in de door haar gesubsidieerde opvanginitiatieven. Ook kan Vlaanderen ouders die tijdelijk uit de arbeidsmarkt stappen om te zorgen voor de kinderen beter begeleiden wanneer zij terug willen gaan werken.

Een ander aandachtspunt is de occasionele en flexibele kinderopvang. Ik meen dat de occasionele opvang inderdaad heel belangrijk is om bvb. ouders de mogelijkheid te geven een opleiding te volgen. De flexibele opvang biedt ouders de mogelijkheid om buiten de, al zeer ruime, openingsuren van de traditionele kinderopvang, toch hun kind naar een opvang te brengen. Hierbij komen we al makkelijker bij het debat van de ‘grenzen’ van de kinderopvang, zeker dan vanuit de noden van een kind. Recent onderzoek (Steunpunt WVG in opdracht van minister Vandeurzen rond het gebruik van de kinderopvang) maakt duidelijk dat ouders voor deze flexibele opvang veel meer een beroep doen op hun informele netwerk. Bvb. de grootouders komen hier veel meer aan bod, ondanks het feit dat de globale inzet van de grootouders (de zgn informele kinderopvang) afneemt. Vlaanderen kan ook hier gaan zoeken welke maatregelen ondersteunend kunnen zijn om grootouders hierin te ondersteunen…

  1. Wat mag kinderopvang kosten?

Vandaag zijn er enorme verschillen in wat ouders ‘mogen’ betalen voor opvang van hun kindje (zie inleiding).

Indien we via het nieuwe decreet dezelfde verplichtingen opleggen aan gelijkaardige opvanginitiatieven, dan zijn de grote verschillen in subsidiëring niet te verantwoorden. We moeten dus ook het huidige subsidiesysteem onder de loep durven nemen en op termijn evolueren naar een gelijke subsidiering. Belangrijk is dat we de opvang betaalbaar houden, ook voor zij die het niet breed hebben.

Een mogelijke piste is het Nederlandse systeem. Daar wordt de kinderopvang voor één derde betaald door de overheid, één derde door de bedrijven (die er alle belang bij hebben dat de ouders zorgeloos komen werken) en één derde door de ouders. De bijdrage van de ouders kan uiteraard afhankelijk gemaakt worden van hun inkomen. Dit systeem valt zeker te rijmen met de algemeen aanvaarde maatschappelijke functies van de kinderopvang. Elk van die functies wordt dan gefinancierd door één van de drie betrokken partijen: de economische functie door de werkgevers, de pedagogische door de ouders (zij zijn immers te allen tijde verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen) en de sociale door de overheid.

Conclusie: er is vandaag bijna voldoende kinderopvang in Vlaanderen. Via de nataliteitbonus moeten we er voor zorgen dat we de Barcelona-norm behouden. De volgende jaren moeten we vooral inzetten op de omkadering, op de betaalbaarheid en op de kansen die ouders moeten krijgen om zelf voor hun kroost te zorgen.

                Met deze gekende initiatieven haalt Vlaanderen vlot de Barcelona-norm (33 plaatsen per 100 kinderen onder de 2,5 jaar). Daarmee doen we beter dan zeer veel Europese landen. Er zijn echter nog plaatsen in Vlaanderen waar we de norm niet halen. Als we deze in alle regio’s willen halen, dan is de huidige raming dat  er deze legislatuur nog eens 11.000 plaatsen moeten bijkomen (vooral in de steden). Ook na 2014  moeten we ervoor zorgen dat we de norm behouden. Dit kan door het invoeren van een nataliteitbonus zoals die ook bestaat in het onderwijs: een koppeling van het aanbod kinderopvang aan de schommelingen van de nataliteit.        











                Tom Dehaene