Delete
January 20 2010, 10:25am
Gisteren schreef De Standaard over “de tien domste vragen….”. De krant baseerde zich hiervoor op de gegevens die ze ontving van voorzitter Peumans van het Vlaams Parlement. Over die vragen willen wij het even hebben.
Een van de opdrachten van het Parlement is de regering te controleren. Om dat goed te kunnen doen, moeten de parlementsleden goed geïnformeerd zijn over het beleid van de regering en haar ministers. Een van de middelen daartoe is de parlementaire vraag.
Het vragenrecht wordt niet uitdrukkelijk in de grondwet vermeld, maar steunt op het principe van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het Parlement.
De techniek van de parlementaire vraag werd in 1897 ingevoerd. Dit systeem is geïnspireerd op de praktijk in het Verenigd Koninkrijk. In het Hogerhuis werd in 1727 eerder toevallig de eerste parlementaire vraag gesteld. Hieruit is een zelfstandige parlementaire procedure gegroeid.
De parlementaire vragen leveren een rijke oogst aan informatie op ten behoeve van de parlementsleden maar ook voor de pers en de burger.
Artikel 80 van het reglement van het Vlaams Parlement zegt: Onontvankelijke vragen zijn ondermeer:
vragen met betrekking tot particuliere aangelegenheden of persoonlijke gevallen; vragen die uitsluitend strekken tot het verkrijgen van statistische gegevens, documentatie ofwel juridische of administratieve adviezen of inlichtingen; vragen over aangelegenheden waarover voordien al in de loop van dezelfde zitting een interpellatie of een actuele interpellatie is ingediend of gehouden of waarover een ontwerp of voorstel van decreet, een voorstel van resolutie, een beleidsnota, een beleidsbrief of een motie is ingediend; vragen die intenties peilen.
Dit recht van de voorzitter van het Parlement of van de commissies om vragen onontvankelijk te verklaren was regelmatig een punt van wrevel voor de Vlaamse parlementsleden, ook al in de legislaturen onder voorzitters De Batselier en Vanderpoorten. Het bureau van het Parlement kreeg toen de bijnaam ‘politbureau’ omwille van de arbitraire manier waarop interpellaties al dan niet ontvankelijk werden verklaard.
De wijze waarop onder voorzitter Jan Peumans nu vragen worden geweigerd is echter buiten alle proportie en tast het democratisch recht van de volksvertegenwoordiger in de kern aan. De ontvankelijkheid van de vragen wordt niet langer puur technisch getoetst op de criteria van art.80 van het reglement, maar wordt puur subjectief beoordeeld op zijn inhoud, zijn “relevantie”, naar het goedvinden van de voorzitter. Dit is nooit gezien en kan enkel gebeuren omdat heel wat nieuwe leden denken dat het zo hoort.
Onze stelling is duidelijk: in een parlementaire democratie kan het woord, de vraag van de volksvertegenwoordigers niet ondergeschikt worden aan een inhoudelijke toetsing, aan een voorafgaandelijke toelating, ook niet van de parlementsvoorzitter.
Als het nieuw verkozen Parlement veel vragen stelt, zou de nieuwe voorzitter dit moeten toejuichen. Het parlement werkt hard en neemt zijn taak ernstig. Niets daarvan in de nota Peumans, integendeel:
“De toevloed aan mondelinge vragen nam sinds de vorige legislatuur zo een proportie aan dat de overige kerntaken van de commissiewerking in het gedrang kwam. Ik pleit daarom voor het stellen van minder, maar vooral betere mondelinge vragen en om ook in commissies actualiteitsdebatten en thematische debatten – desgevallend met de mogelijkheid om moties in te dienen – in te voeren” (Wie gaat beoordelen welke vragen beter zijn?)
“Dat betekent … dat ik minder achter de dagelijkse feiten wil hollen eerder aan een actieve agendasetting zal doen” (Op basis waarvan gaat deze agendasetting gebeuren? Op basis van eigen goedvinden?)
“Ook al om deze reden zal ik ervoor pleiten om de bestaande controlemiddelen grondig te herdenken en zelfs de finaliteit ervan in vraag te stellen. Een schriftelijke vraag kan zich niet beperken tot een loutere vraag om informatie.
“…en dat ook de persoonlijke medewerkers van de volksvertegenwoordigers eerder hun energie zullen besteden aan het instuderen van dossiers dan aan het produceren van massa’s vragen die de dagelijkse actualiteit niet overstijgen.” (ongepast waardeoordeel)
De praktijk onder Peumans, dat bijna 1 vraag op 2 onontvankelijk wordt verklaard moet onmiddellijk stoppen. De macht van de voorzitters inzake aanvaarden van vragen om uitleg wordt alleen beperkt door de begrenzingen die ze zelf in acht nemen. Dit is de (positieve) definitie van tirannie en despotisme.
Men kan tijd winnen door de debatten te beperken. Actualiteitsdebatten zijn al te vaak discussies die “herkauwen” hetgeen het weekend voordien al in de media is bediscussieerd. Men zou dit beter voorbehouden voor echt belangrijke thema’s die ook voor “nieuws” kunnen zorgen, bv. via het antwoord van de minister.
De huidige werkwijze – met 2 fracties meer dan in de vorige legislatuur en met talrijke onderbrekingen – is vaak steriel: de vraagstelling wordt oeverloos uitgetrokken, ondermeer omdat de camera’s draaien, en het antwoord van de regering komt vaak pas laat. De spankracht ebt weg. Interessante actuele vragen komen vaak pas aan bod als de camera’s al opgeplooid zijn.
Ons voorstel is dat we op woensdag namiddag het aantal vragen verdubbelen, de tussenkomsten afschaffen en de antwoordtermijn van de ministers kort houden, zodat de ministers met nieuws in het parlement kunnen komen. Dit zal alleszins flitsender zijn dan de huidige “debatten”. Het zal ook een absolute herwaardering betekenen van het recht op vraagstelling van het individuele parlementslid. Eerstdaags zullen we dan ook een voorstel van reglementswijziging indienen waardoor de vraagsteller het alleenrecht krijgt om de minister te bevragen. Hierdoor komt er meer ruimte vrij voor het organiseren van debatten en stellen van vragen (die nu vaak onterecht worden afgekeurd).
Zoals u ziet staan de uitgangspunten van de nota Peumans echt lijnrecht op de peilers van onze parlementaire democratie, zodat ze best onmiddellijk wordt ingetrokken.
Door de zelfgezochte media-aandacht heeft Jan Peumans zich in een vrijwel onmogelijke positie gewerkt: hoe meer hij pleit voor een groot nieuw plan met heel veel nieuwe initiatieven en de noodzaak daarvan in vraag gesteld wordt, hoe meer hij het huidige parlement, zijn werking en zijn leden, in een slecht daglicht moet stellen. Hij moet zijn eigen parlement kleineren om zichzelf groter te maken. Jammer.
Een van de opdrachten van het Parlement is de regering te controleren. Om dat goed te kunnen doen, moeten de parlementsleden goed geïnformeerd zijn over het beleid van de regering en haar ministers. Een van de middelen daartoe is de parlementaire vraag.
Johan Sauwens
Cindy Franssen